De moedersterfte in Nederland is toegenomen. In de periode 1993 tot 2005 stierven gemiddeld 12,1 moeders per 100.000 levend geboren kinderen, een significante toename ten opzichte van een sterftecijfer van 9,7 in de periode 1983 tot 1992. Dit blijkt uit het promotieonderzoek van Joke Schutte (32), gynaecoloog bij de Isala klinieken in Zwolle.
Deze toename in moedersterfte is voornamelijk veroorzaakt door een stijging in de sterfte door verergering van een onderliggende ziekte, met name sterfte door hart- en vaatziekten. Zwangere vrouwen in Nederland zijn gemiddeld ouder. Tevens worden vrouwen met een onderliggende aandoening tegenwoordig wel zwanger, terwijl zij in het verleden mogelijk een negatief zwangerschapsadvies hadden gekregen.
Sterfte door zwangerschapsvergiftiging liet aanvankelijk ook een stijging zien, maar is in 2003-2005 gedaald. Dit is mogelijk het gevolg van de rapporten van de commissie moedersterfte, leidend tot een actiever beleid bij vrouwen met zwangerschapsvergiftiging. De sterfte door deze oorzaak is echter nog wel tweemaal zo hoog als in Engeland, dus verdere alertheid is geboden.
Risicogroepen voor moedersterfte zijn oudere vrouwen, allochtone vrouwen en vrouwen die al meerdere kinderen gebaard hebben. Van de allochtone vrouwen hebben vrouwen uit sub-Sahara Afrika, Azië, de Nederlandse Antillen en Suriname een verhoogd risico. Dit wordt mogelijk veroorzaakt door factoren als de verblijfsduur in Nederland, de (on)bekendheid met het Nederlandse zorgsysteem, de kennis van de taal en de omvang van sociale netwerken.
Schutte is lid van de commissie moedersterfte van de Nederlandse vereniging voor obstetrie en gynaecologie. Deze commissie verzamelt alle gevallen van moedersterfte in Nederland. Deze gevallen worden geclassificeerd en de geleverde zorg wordt geanalyseerd. Dit gebeurt ondermeer omdat moedersterfte een maat is voor de kwaliteit van verloskundige zorg. (Bron: VUmc)



