Een onderzoek naar het verschil in verwijzingen binnen de Nederlandse obstetrische gezondheidszorg tussen cliƫnten met Kaukasische etniciteit en cliƫnten met Marokkaanse of Turkse etniciteit.
Onderzoeksvraag
Het onderzoeken van het verschil in verwijzingen binnen de verloskundige zorg tussen cliënten van Marokkaanse, Turkse en Kaukasische vrouwen.
Methode
– Een retrospectief dossieronderzoek
– Vijf participerende praktijken in Amsterdam West en het St. Lucas Andreas Ziekenhuis te Amsterdam.
– 85 cliënten waarbij zowel prenatale, natale en postnatale zorg is verleend, met een zwangerschapsuitkomst van meer dan 24+0 weken amenorroeduur en waarbij in oktober 2009 een intake in een eerstelijns verloskundigenpraktijk heeft plaatsgevonden.
– Verschil in verwijzingen, aantal verwijzingen per cliënt, redenen van verwijzing, verschil in overnames.
Resultaten
– 67,6% van alle cliënten werd verwezen gedurende de prenatale, natale of postnatale periode. Er werd geen statistisch significant verschil in verwijzingen gevonden tussen cliënten van Kaukasische afkomst en cliënten van Marokkaanse of Turkse afkomst (respectievelijk OR 0.88 (BI 0.13-6.11) en OR 2.53E8 (0.00)). Gemiddeld werd een cliënte van Kaukasische afkomst 1,43 keer verwezen in de prenatale fase. Cliënten van Marokkaanse of Turkse afkomst werden respectievelijk 1,58 en 1,50 keer verwezen tijdens de prenatale fase. In de prenatale fase werden cliënten van Kaukasische afkomst het meest verwezen in verband met vaginaal bloedverlies (13,3%), Marokkaanse cliënten in verband met hypertensieve klachten (16,7%) en Turkse cliënten in verband met afwijkende glucoses (16,7%) en een sectio in de anamnese (16,7%). In de natale fase kwam meconiumhoudend vruchtwater onder de Marokkaanse en Turkse populatie vaker voor dan onder de Kaukasische populatie (respectievelijk 14,3%, 18,2% en 5,1%). De Turkse populatie werd vaker overgenomen tijdens de prenatale fase (OR 2.22 (BI 0.33-14.80)). Tijdens de postnatale fase bleken neonaten van cliënten met een Marokkaanse etniciteit vaker overgenomen te worden (OR 13.05 (BI 0.47-361.14)).
Conclusie
– Cliënten van Marokkaanse en Turkse afkomst worden niet significant vaker verwezen of overgenomen dan cliënten van Kaukasische afkomst