Ronde 3: 15.30-16.30 uur

151486_Headers Conferentie Kennispoort_Header ronde 3

 

 

 

Workshop 1 of Workshop 2
Afhankelijk van de belangstelling wordt in deze ronde Workshop 1: Gezamenlijke Besluitvorming uit Ronde 1 of Workshop 2: Ongeassisteerde Bevalling of Vrije Geboorte? herhaald.

 

Parallelsessie EBM 3 – New perspectives on common practices  (English)
(session leader: Eileen Hutton)
Eileen Hutton

 

 


Numbers needed to cheat: what does and doesn’t research tell us about the safety of giving birth with primary care and at home? 
Dr. Ank de Jonge, midwife and coördinator Midwifery Science, Academie Verloskunde Amsterdam Groningen/EMGO+/VUmc
Pasfoto Ank dec 2014 -low res
Uit reacties op verschillende studies blijkt dat de uitkomsten soms worden gebruikt om thuisbevallingen te propageren zonder dat aan veilige randvoorwaarden is voldaan. Aan de andere kant wordt gesuggereerd dat de uitkomsten laten zien dat risicoselectie niet deugt omdat mortaliteit en morbiditeit vóórkomen onder geplande eerstelijns bevallingen, thuis of in het ziekenhuis. Beide standpunten getuigen van een misinterpretatie van onderzoeksresultaten. Wat kunnen we wel concluderen over de veiligheid van baringen die in de eerstelijn of thuis zijn gestart?

What is the design of Mother Nature? The birth shell as a chance for a healthy life experience.  M. Keijzer-Landkroon, midwife N.P.
Thema Evidence - Parallelsessie Gre Keijzer

De zoektocht naar het ware karakter van een natuurlijke bevalling met name de uitdrijving door 293 primiparae, resulteerde in het achterwege laten van in verloskundige omgevingen gebruikelijke routine handelingen. Aanvankelijk leek de diepe hurkhouding het na te streven doel omdat deze in primitieve gemeenschappen gebruikelijk is tijdens werk, ontspanning, koken, het ontlasten en geobserveerd tijdens bevallen. Diep hurken is voor Westerse vrouwen moeilijk uitvoerbaar. Het aanbieden van een hielsteun van maximaal 4 cm. hoogte, lost dit probleem op. Een baarsteun geheten De Baarschelp, werd ontworpen aan de hand van suggesties door de barende vrouwen zelf.

Verwijzingen tijdens de uitdrijving zakten dramatisch naar 7,9%. Als vrouwen ‘op de voeten’ beginnen en niet gestoord worden, ontwikkelen zij instinctief gedrag dat hen leidt tot het aannemen van diverse houdingen individueel optimaal inclusief het oplossen van schouderdystocia. Geen extra bloedverlies, noch rupturen. Harmonieus verlopende bevallingen.

The fertile cycle – giving room to biological research. Mary Thirza McNabb, researcher (reproductive biology), academic midwife
Thema Evidence Parallelsessie - Mary McNabb
From a bio-psychosocial perspective, reproduction has an inherent capacity to enhance maternal and paternal vitality, and to foster strong social bonds across generations. To appreciate this perspective, it is necessary to start from living reality and refer to current scientific knowledge.  This includes molecular interactions, neural circuits, sensory perceptions, synergistic patterns of neuroendocrine activity, psychophysical, and metabolic adaptations. These occur in mothers, fathers, oocyte, sperms, embryo, fetus and neonate,  during the process of changing parental perceptions, motivations and social priorities.
As an evidence base for practice, this  understanding moves constantly between surface reality and molecular interactions; signals from embryo to maternal brain; signals from maternal diet to the pre-implantation embryo, psychophysical responsiveness of embryo and fetus to changing maternal states, and synchronised neuro-hormonal patterns in parents during pregnancy and lactation. The central objective of this approach is to discover ways to enhance significant ongoing adaptations in mother, father and offspring, across the cycle.

 

Parallelsessie Cliënt 3 – (Hoe) helpt het systeem de zwangere?
(sessieleider: Greta Rijninks)

Keuzehulp met individuele risicoberekening: effectief hulpmiddel bij het kiezen van de partusmodus na eerdere sectio caesarea. Emy Vankan, AIOP, onderzoeker SIMPLE-studie, Maastricht UMC
Thema Client Parallelsessie Emy Vankan
Zwangeren met een sectio caesarea (SC) in de voorgeschiedenis moeten kiezen voor een intentie tot vaginale baring (VB) of een electieve repeat sectio (ERSC). Echter, adequate counseling vindt in minder dan 15% plaats. In deze studie wordt de effectiviteit van een richtlijn-implementatie strategie, de keuzehulp , geëvalueerd. Zwangeren in zes interventie-ziekenhuizen kregen een keuzehulp voor de partusmodus met predictiemodel om de individuele kans op een VB te berekenen. In zes controle-ziekenhuizen werd gecounseld volgens de reguliere zorg. In de interventiegroep voelden meer vrouwen zich betrokken bij de keuze voor de partusmodus. Het totaal aantal VB was vergelijkbaar. In de interventiegroep kozen meer vrouwen voor een ERSC (41% vs. 30%). In de interventiegroep bevielen meer vrouwen met een intentie tot VB, vaginaal ( p=0,01). Dit resulteert in 10% meer secundaire sectio’s in de controlegroep. Een keuzehulp voor de partusmodus na SC leidt tot toegenomen patientbetrokkenheid, een onveranderd aantal VB, maar betere risicoselectie met minder secundaire sectio’s.

Gezamenlijke besluitvorming over de plaats van de bevalling ‘De ervaring van de cliënten’. Desirée de Ruiter, Eline Oude Hassink en Anouk Banda, 4e jaars studenten verloskunde, Verloskunde Academie Rotterdam
foto-Desiree-de-RuiterGezamenlijke besluitvorming (GB) is belangrijk bij het toepassen van vraaggerichte zorg en leidt tot een grotere cliënt tevredenheid. Onderzocht is wat cliënten verstaan onder GB, in hoeverre dit wordt toegepast in de praktijk tijdens het keuzeproces van de plaats van de bevalling en wat de invloed is van GB op dit keuzeproces. Het model van Elwyn diende hierbij als leidraad voor de opzet van het onderzoek. Het praktijkonderzoek (focusgroepen/interviews) vond plaats onder 16 zwangeren. Een van de belangrijkste uitkomsten is dat zwangeren GB anders definiëren dan Elwyn. Thema Client - Eline Oude Hassink
Er wordt gezien dat de stappen van het model van Elwyn in grote lijnen worden
doorlopen, maar de volgorde van de fases en de mate van ondersteuning van de zorgverlener afwijken. Geconcludeerd werd dat het model van Elwyn niet goed toepasbaar is bij gezamenlijke besluitvorming tijdens het keuzeproces van de plaats van de bevalling.
Dit onderThema Client - Anouk Bandazoek leidde tot een nieuw model.

 

 

Coaching door gespecialiseerde verloskundigen bij angst voor de bevalling en een traumatische bevallingservaring. Jasmijn Vlasblom PA, klinisch verloskundige, Medisch Centrum Alkmaar
Als Thema Client - Jasmijn Vlasblomafstudeeronderzoek voor de Master Physician Assistant Klinisch Verloskundige te Rotterdam verrichtte de onderzoekster kwalitatief onderzoek naar ervaringen van vrouwen met coaching door gespecialiseerde verloskundigen, voor het verminderen van angst voor de bevalling en het verwerken van een traumatische bevallingservaring.
Er zijn in dit onderzoek aanwijzingen gevonden dat coaching door gespecialiseerde verloskundigen bij kan dragen aan de verwerking van traumatische ervaringen en vermindering van spanning en angst. De coaching hielp de vrouwen doordat ze erkenning, tijd en aandacht kregen van een specialist in het geboorteproces. De vrouwen kregen nieuwe kennis, inzichten en praktische handvatten, wat leidde tot verandering van gevoelens en een plan van aanpak. Het vergrootte gevoelens van eigenwaarde, autonomie, vertrouwen, kracht en ontspanning. De vrouwen waren ervan overtuigd dat de coaching een positieve invloed had op hun zwangerschap, bevalling en moederschap.

Parallelsessie Zorgverlener 3: De grenzen van fysiologie
(sessieleider: Gea Vermeulen)
Gea Vermeulen

 

 

Multidisciplinary consensus on diagnosis and management of suspected fetal growth restriction in the Netherlands – a Delphi study. Viki Verfaille MSc., onderzoeker IRIS-studie, AVAG/EMGO+/VUmc
Thema 3 Zorgverleners - parallelsessie VIfi Verfaille
De screening op en diagnose en behandeling van intra uteriene groeirestrictie (IUGR) vergt multidisciplinaire samenwerking. De Nederlandse richtlijnen (Nederlandse Vereniging voor Obstetrie & Gynaecologie en Koninklijke Nederlandse Organisatie van Verloskundigen) zijn niet geheel op elkaar afgestemd, waardoor onduidelijkheid en ongewenste praktijkvariatie ontstaat. Ter voorbereiding op de IUGR Risk Selection (IRIS) studie  hebben we een Delphi-onderzoek uitgevoerd om aanbevelingen te ontwikkelen, met focus op die onderdelen die nog niet afgestemd of gespecificeerd zijn in de huidige richtlijnen. De IRIS studie is een landelijk onderzoek waarin de (kosten-) effectiviteit van routine biometrie-echo’s in de laag risico populatie wordt nagegaan. Aan dit Delphi-onderzoek deden 56 panelleden mee: 27 uit de eerste en 29 uit de tweede/ derde lijn. Dit heeft bijgedragen tot de aanbevelingen voor de prenatale zorg bij (verdenking op) IUGR in de IRIS studie.

Meconiumhoudend vruchtwater: eerste of tweede lijn? Een retrospectief cohortonderzoek van 300 partus (MCA) met MHV. Ellen van Duikeren PA, klinisch verloskundige, Medisch Centrum Alkmaar
foto Ellen van Duikeren
In Nederland worden veel initiatieven ontwikkeld om te komen tot meer continuïteit van zorg. Hierbij worden ook taken verschoven tussen zorgverleners. In dit retrospectieve cohortonderzoek zijn 300 patiënten met meconium houdend vruchtwater bekeken die vanuit de eerste lijn werden overgedragen. Kunnen deze patiënten tijdens de partus door de eerste lijn poliklinisch begeleid blijven worden? Uit het onderzoek blijkt: eerstelijns patiënten die durante partu waren ingestuurd met meconium houdend vruchtwater ontwikkelden in 68% van de gevallen andere redenen tot overdracht. Pariteit en maternaal overgewicht waren geassocieerd met meerdere redenen tot overdracht naast meconium houdend vruchtwater. Gezien het relatief kleine aantal eerstelijns patiënten met meconium houdend vruchtwater ten opzichte van het aantal eerstelijns verloskundigen wordt daarnaast geadviseerd de beoordeling van het CTG door de tweede lijn te laten plaatsvinden.

Hoe zeker voelen Nederlandse verloskundigen zich in het beoordelen en herstellen van baringsletsel? Karin Veuger MPA, klinisch verloskundige, Ziekenhuis Groep Twente
Parallelsessie Zorgverleners - Karin Veuger
Eerste- en tweedelijns verloskundigen zijn in de Nederland degenen die in de meeste gevallen baringsletsel beoordelen. Om meer inzicht te krijgen in de kwaliteit van deze beoordeling is een kwantitatief onderzoek gedaan in de vorm van een survey. Doelstelling van het onderzoek was het in kaart brengen van het vertrouwen in eigen kennis en kunde van de Nederlandse eerste- en tweedelijns verloskundigen op het gebied van de bekkenbodem/ baringsletsel en specifiek het gebied van het rectum en de rectumsluitspier. In de resultaten wordt weergegeven: 1) hoe zeker verloskundigen zich voelen in het herkennen van tweede-, derde- en vierdegraads rupturen, 2) hoe zeker verloskundigen zich voelen in het hechten van een ruptuur en episiotomie, 3) of er na de baring rectaal getoucheerd wordt door verloskundigen, 4) hoe verloskundigen vinden dat zij opgeleid zijn in het herkennen en herstellen van baringsletsel en 5) of er bijscholing gevolgd wordt door verloskundigen in het herkennen en herstellen van baringsletsel.

EXTRA: Postertour 3: thema Organisatie van Zorg
(sessieleider: Marion van Harn)

Veranderingen in de eerstelijns verloskundige zorg tijdens de bevalling. Dr. Pien Offerhaus, verloskundig onderzoeker AV-M, beleidsmedewerker richtlijnontwikkeling KNOV
Poster Thematour 3 - Pien Offerhaus low res
In de 21e eeuw is de eerstelijns verloskundige zorg tijdens de baring sterk aan het veranderen. Deze poster beschrijft trends in verwijzingen bij eerstelijns bevallingen en samenhangende uitkomsten voor kind en moeder, op basis van PRN gegevens uit 2000-2008. Er was een aanzienlijke stijging in niet-urgente verwijzingen tijdens de ontsluitingsfase. De perinatale uitkomsten (lage Apgar score en mortaliteit) veranderden niet. Bij de moeder steeg het gebruik van interventies (pijnstilling en bijstimulatie, meestal in combinatie). Dit ging naast meer discontinuïteit in de zorg ook gepaard met een toename van een HPP >1000 ml. Voor nulliparae steeg ook het percentage sectio caesarea.

Zorgverleners zoeken de beste zorg. Meningen van professionals over geïntegreerde zorg: een kwantitatief onderzoek in Nederland. Hilde Perdok RM MSc., verloskundig onderzoeker, Midwifery Science, AVAG/EMGO+/VUmc
Poster Thematour 3 - Hilde Perdok
Het aantal verwijzingen tijdens de bevalling is de afgelopen jaren sterk gestegen. Hierdoor is de continuïteit van zorg voor de zwangere en haar partner afgenomen. Diverse onderzoeken tonen aan dat dit leidt tot minder tevredenheid bij de cliënt en een toename van het aantal medische interventies. Binnen de “INtegrated Care System” (INCAS) studie worden de mogelijkheden voor een integrale benadering van de geboortezorg onderzocht. Een sub-studie van INCAS is deze vragenlijst onderzoek welke als doel heeft om zicht te krijgen op de mate van consensus onder verloskundigen en gynaecologen wat betreft taken en verantwoordelijkheden en de bevorderende en belemmerende factoren van integrale zorg.

Social marketing als strategie in de preconceptiezorg.
Chantal ten Kate BSc., student-onderzoeker Healthy Pregnancy 4 All, Erasmus MC
ChantaltenKatePreconceptiezorg (PCZ) is een manier om perinatale gezondheid te promoten, maar wordt momenteel door toekomstige ouders beperkt benut. Het gebruik van PCZ zou kunnen worden bevorderd door een consument-georiënteerde benadering van dit product. Door middel van semi-gestructureerde interviews werden in deze studie de standpunten van vrouwen in kaart gebracht ten aanzien van de vier componenten van het social marketing model: product (individueel PCZ consult), plaats (setting), promotie (hoe attenderen we vrouwen op de mogelijkheid van het product) en prijs (kosten). Deze studie verstrekt consument-georiënteerde gegevens voor een social marketing benadering van PCZ, met een specifieke promotiestrategie. 

Hoe kijken studenten aan tegen (nieuwe ontwikkelingen in) de organisatie van verloskundige zorg? Drs. Catja Warmelink, docent, psycholoog en promovendus, AVAG/EMGO+/VUmc
Poster Thematour 3 - Catja Warmelink
Om te verkennen wat de verwachtingen zijn van toekomstige verloskundigen ten aanzien van de organisatie van verloskundige zorg, zijn in 2014 met 18 vierdejaars AVAG-studenten individuele interviews en focusgroep-bijeenkomsten gehouden. Deze studenten hebben in hun stages veel voorbeelden van samenwerkingen en initiatieven rondom veranderingen in organisatiemodellen gezien. Ze hebben geen sterke voorkeur voor een bepaald organisatiemodel, zolang het maar voldoet aan essentiële criteria, zoals de cliëntgerichte zorg en een goede, respectvolle samenwerking met andere professionals. Studenten hebben het idee dat de ontwikkeling van het huidige echelonmodel naar een meer geïntegreerde zorg tussen de 1e, 2e en 3e lijn onvermijdelijk lijkt.