Themalijn 3: Zorgverleners zoeken de beste zorg

151486_Headers Conferentie Kennispoort_Header themalijn 3

Iedere zorgverlener wil de beste zorg leveren aan elke cliënt. Maar wat is de beste zorg? Evidence Based Medicine is daarbij een hulpmiddel, en het gebruik van richtlijnen is gericht op het optimaal gebruiken van beschikbare kennis aangevuld met andere relevante overwegingen. Toch blijkt dat er grote verschillen bestaan in het handelen in de geboortezorg, zowel tussen de beroepsgroepen als tussen de verloskundigen en gynaecologen onderling.

Hoe groot zijn deze verschillen, hoe ontstaan ze, en wat maakt het eigenlijk uit voor de gezondheidsuitkomsten van moeder en kind? Wat kunnen zorgverleners en onderzoekers doen om de dagelijkse praktijk beter aan te laten sluiten bij de groeiende kennis over de meerwaarde van een fysiologische benadering? En hoe kunnen zorgverleners beter worden toegerust om de beste zorg te verlenen en welke kennis en vaardigheden hebben zorgverleners hier voor nodig?

Deze themalijn is uitgewerkt in de volgende presentaties:

Keynote zorgverleners: Omgaan met risico’s in de geboortezorg: het sociale versus het medische model. Wat is belangrijker: gezondheid en fysiologie? Of het onder controle houden en beheersen van risico’s?

Edwin van Teijlingen, Professor of Reproductive Health Research, Bournemouth University

Edwin concentreert zijn presentatie rond de vraag: Hebben we te maken met een sociaal of een meer medisch model van zwangerschap en geboorte? Vanuit sociologisch perspectief kun je indelingen maken die zijn gebaseerd op de manier waarop we zwangerschap beschouwen in de samenleving en hoe we de zwangerschapszorg organiseren. Het sociale versus het medische model van zwangerschap en geboorte kunnen mogelijk helpen bij het analyseren van de onderliggende problemen in de verloskundige zorg in Nederland. Deze sociologische benadering kan nuttig zijn voor beleidsmakers, politici, verloskundigen en andere zorgverleners en zwangere vrouwen en hun familie.

Het medische model beschouwt zwangerschap en geboorte gedeeltelijk als een risico. Een risico dat we moeten beperken. Het sociale model ziet zwangerschap en geboorte als een fysiologische en maatschappelijke gebeurtenis. Je kunt sociologische inzichten gebruiken om de wereld om je heen beter te begrijpen. Wanneer je je bewust bent van een sociaal/medisch model van zwangerschap en geboorte krijg je meer, of op z’n minst een ander, inzicht in waarom mensen en organisaties  doen wat ze doen.

Parallelsessie Zorgverlener 1: Professioneel handelen (sessieleider: Edwin van Teijlingen)

Kennis, vaardigheden & attitude van zorgprofessionals in Zuidwest Nederland over kwetsbare zwangeren. Hanneke Torij RM MSc., lector en onderzoeker, Kenniscentrum Zorginnovatie, Hogeschool Rotterdam
Parallelsessie Zorgverleners Hanneke Torij
Vanuit het Regionaal Consortium Zuidwest Nederland wordt een onderzoeksproject uitgevoerd met als doel het vormgeven van gestructureerde zorg voor kwetsbare zwangeren. Daarnaast wordt het consortium zelf geëvalueerd. Hierbij wordt d.m.v. een survey onderzocht welke kennis, vaardigheden en attitude zorgprofessionals in Zuidwest Nederland hebben ten aanzien van kwetsbare zwangeren aan het begin (T=0) en aan het einde (T=1) van de looptijd van het regionaal consortium. In de tussentijd vinden interventies plaats die gericht zijn op verbetering van kennis, vaardigheden en attitude over kwetsbare zwangeren. De nulmeting van het onderzoek is afgerond. In totaal zijn 555 vragenlijsten verstuurd en is de respons 43% (n=237).
De resultaten geven inzicht in wat verloskundige zorgverleners weten over kwetsbare zwangeren problematiek, in wat ze doen en in wat ze vinden. Zo vinden zorgverleners extra aandacht aan kwetsbare zwangeren nuttig en noodzakelijk en geven ze aan behoefte te hebben aan meer kennis hierover.
Op basis van de resultaten worden de interventies van het consortium inhoudelijk verder vormgegeven.

Het volgen van een richtlijn in de dagelijkse praktijk: Preventie van early onset groep B streptokokken ziekte bij de pasgeborene. Diny Kolkman RM MSc., promovenda TNO Leiden, Child Health, VUmc Amsterdam, afdeling obstetrie en gynaecologie
Thema Zorgverleners - Diny Kolkman
Preventie van early onset groep B streptokokkenziekte bij de pasgeborene is mogelijk door antibiotica profylaxe te geven aan vrouwen tijdens de baring. Er worden (inter)nationaal verschillende preventieve strategieën gebruikt, vastgelegd in richtlijnen: maternale screening op GBS, toepassing van GBS-risicofactoren of een combinatie van maternale screening en toepassing van GBS-risicofactoren. In drie VSV regio’s in Nederland zijn drie verschillende preventie strategieën (vastgelegd in richtlijnen) geïmplementeerd en is bestudeerd hoe deze zijn gevolgd in de praktijk. Bij vrouwen die in aanmerking komen voor antibiotica profylaxe wordt de bijbehorende aanbeveling vaak niet opgevolgd of wordt de uitvoering anders gedaan dan de aanbeveling voorschrijft.
Inzicht in redenen om aanbevelingen niet op te volgen is nodig om te begrijpen hoe preventie van GBS ziekte bij de pasgeborene te verbeteren is.

Invloeden op het gedrag van verloskundigen ten aanzien van cliëntgerichte zorg.
Yvonne Fontein RM MSc., PgDHE verloskundige, docent en onderzoeker, Hogeschool Rotterdam
Yvonne Fontein
Invulling aan cliënt gerichte zorg is niet eenduidig. Om inzicht te krijgen waarom dit zo is werden de gedragsbeïnvloedende factoren ten aanzien van cliëntgerichte zorg kwalitatief onderzocht. De attitude van de verloskundigen had grote invloed te hebben op hun eigen effectiviteit. Client gerichte zorg is ‘zorg op maat’ maar ‘niet grenzeloos’ was een unanieme bevinding. Niet iedere verloskundige vertrouwde erop dat zij zelf voldoende vaardigheden in huis heeft om cliëntgericht te kunnen werken. Sociale invloed voortkomend uit de wensen van de cliënt, en de niet-cliënt gericht visie van collega’s had een belemmerende invloed op attitude om cliënt gericht te werken. Een eenduidige praktijkvisie werd ervaren als ondersteunend om cliëntgericht te werken. Eigen grenzen, irreële wensen en verwachtingen van de cliënt en logistieke factoren werden ervaren als barrières en beïnvloedden het gedrag van de verloskundigen ten opzichte van het verlenen van cliëntgerichte zorg.

Parallelsessie Zorgverlener 2: Bevorderen van de fysiologie
Sessieleider:Darie Daemers, RM., Academie Verloskunde Maastricht

Beleidsbepaling in de eerstelijns verloskunde: Wat speelt er mee?
Darie Daemers, RM., PhD student, coördinator Leven Lang Leven, Academie Verloskunde Maastricht
Darie Daemers lowresEen uitgangspunt van zorg door verloskundigen is het bevorderen van een fysiologische zwangerschap, baring en kraambed. Een van de instrumenten die zij hiervoor kunnen inzetten is een weloverwogen verwijsbeleid. Over hoe verloskundigen tot beleidsbepaling komen in hun zorg aan individuele cliënten is echter weinig bekend. Internationaal onderzoek onder andere gezondheidszorgprofessionals benadrukte de variëteit aan aspecten die een rol speelden in de beleidsbepaling zoals kennis, ervaring en intuïtie van hulpverleners, organisatorische kaders en interprofessionele relaties waarbinnen hulpverleners functioneren, continue afweging van risico versus voordelen voor de cliënt, overtuigingen en waarden van cliënt en hulpverlener. Om meer inzicht te krijgen in de factoren die verloskundigen meenemen in hun beleidsbepaling hebben we 11 eerstelijns verloskundigen gevraagd om – gebaseerd op schriftelijke casus – hardop denkend verloskundig beleid te bepalen. Het thema beleidsbepaling werd daarna verder besproken aan de hand van een semi-gestructureerde vragenlijst. Hieruit verkregen inzichten zullen op het congres gepresenteerd worden.

Hoe zien Nederlandse verloskundigen hun rol als bewaker en bevorderaar van de fysiologische geboorte? Suzanne Thompson RM MSc., PhD student, verloskundige en docent, Academie Verloskunde Maastricht
suzanne thompson
De Nederlandse verloskunde wordt gezien als een model waarin de fysiologische benadering van het geboorteproces van centraal belang is. Het system is hevig in verandering; onder andere een verschuiving in de plaats van de bevalling van thuis naar de klinische setting. Het is onduidelijk hoe de verloskundige haar rol ziet als bevorderaar van de fysiologische benadering en welke factoren stimuleren of belemmeren dit. Exemplarisch hiervan is de niet-liggende baringshouding tijdens de uitdrijving. Verloskundigen leken geen gebruik hiervan te maken tijdens de uitdrijving als een middel om de fysiologie te bevorderen. In focusgroepen, hebben we, samen met verloskundigen uit de eerste en tweedelijn (n=37) geexploreerd welke houding verloskundigen hebben ten aanzien van fysiologisch geboorte en hoe ze en rol zien voor zichzelf in het bewaken en bevorderen van fysiologie door het gebruik van niet-liggende baringshoudingen.Daarnaast hebben in kaart gebracht de factoren die belemmeren en bevorderend werken voor verloskundigen in de thuis- en klinische setting. Een aantal thema’s lijken van belang te zijn waaronder hoe verloskundigen beschouwen de fysiologie, gevoelens van competentie en zelfvertrouw, een wens om woman-centred verloskundige zorg te verlenen en het kunnen laveren tussen de lijnen in de zorg. Deze themas zullen nader toegelicht worden tijdens dit presentatie.

 

Parallelsessie Zorgverlener 3: De grenzen van fysiologie  (sessieleider: Gea Vermeulen)

Multidisciplinary consensus on diagnosis and management of suspected fetal growth restriction in the Netherlands – a Delphi study. Viki Verfaille MSc., onderzoeker IRIS-studie, AVAG/EMGO+/VUmc
Thema 3 Zorgverleners - parallelsessie VIfi Verfaille
De screening op en diagnose en behandeling van intra uteriene groeirestrictie (IUGR) vergt multidisciplinaire samenwerking. De Nederlandse richtlijnen (Nederlandse Vereniging voor Obstetrie & Gynaecologie en Koninklijke Nederlandse Organisatie van Verloskundigen) zijn niet geheel op elkaar afgestemd, waardoor onduidelijkheid en ongewenste praktijkvariatie ontstaat. Ter voorbereiding op de IUGR Risk Selection (IRIS) studie  hebben we een Delphi-onderzoek uitgevoerd om aanbevelingen te ontwikkelen, met focus op die onderdelen die nog niet afgestemd of gespecificeerd zijn in de huidige richtlijnen. De IRIS studie is een landelijk onderzoek waarin de (kosten-) effectiviteit van routine biometrie-echo’s in de laag risico populatie wordt nagegaan. Aan dit Delphi-onderzoek deden 56 panelleden mee: 27 uit de eerste en 29 uit de tweede/ derde lijn. Dit heeft bijgedragen tot de aanbevelingen voor de prenatale zorg bij (verdenking op) IUGR in de IRIS studie.

Meconiumhoudend vruchtwater: eerste of tweede lijn? Een retrospectief cohortonderzoek van 300 partus (MCA) met MHV. Ellen van Duikeren PA, klinisch verloskundige, Medisch Centrum Alkmaar
foto Ellen van Duikeren
In Nederland worden veel initiatieven ontwikkeld om te komen tot meer continuïteit van zorg. Hierbij worden ook taken verschoven tussen zorgverleners. In dit retrospectieve cohortonderzoek zijn 300 patiënten met meconium houdend vruchtwater bekeken die vanuit de eerste lijn werden overgedragen. Kunnen deze patiënten tijdens de partus door de eerste lijn poliklinisch begeleid blijven worden? Uit het onderzoek blijkt: eerstelijns patiënten die durante partu waren ingestuurd met meconium houdend vruchtwater ontwikkelden in 68% van de gevallen andere redenen tot overdracht. Pariteit en maternaal overgewicht waren geassocieerd met meerdere redenen tot overdracht naast meconium houdend vruchtwater. Gezien het relatief kleine aantal eerstelijns patiënten met meconium houdend vruchtwater ten opzichte van het aantal eerstelijns verloskundigen wordt daarnaast geadviseerd de beoordeling van het CTG door de tweede lijn te laten plaatsvinden.

Hoe zeker voelen Nederlandse verloskundigen zich in het beoordelen en herstellen van baringsletsel? Karin Veuger MPA, klinisch verloskundige, Ziekenhuis Groep Twente
Parallelsessie Zorgverleners - Karin Veuger
Eerste- en tweedelijns verloskundigen zijn in de Nederland degenen die in de meeste gevallen baringsletsel beoordelen. Om meer inzicht te krijgen in de kwaliteit van deze beoordeling is een kwantitatief onderzoek gedaan in de vorm van een survey. Doelstelling van het onderzoek was het in kaart brengen van het vertrouwen in eigen kennis en kunde van de Nederlandse eerste- en tweedelijns verloskundigen op het gebied van de bekkenbodem/ baringsletsel en specifiek het gebied van het rectum en de rectumsluitspier. In de resultaten wordt weergegeven: 1) hoe zeker verloskundigen zich voelen in het herkennen van tweede-, derde- en vierdegraads rupturen, 2) hoe zeker verloskundigen zich voelen in het hechten van een ruptuur en episiotomie, 3) of er na de baring rectaal getoucheerd wordt door verloskundigen, 4) hoe verloskundigen vinden dat zij opgeleid zijn in het herkennen en herstellen van baringsletsel en 5) of er bijscholing gevolgd wordt door verloskundigen in het herkennen en herstellen van baringsletsel.

EXTRA: Postertour 3: thema Organisatie van Zorg (sessieleider: Marion van Harn)

Veranderingen in de eerstelijns verloskundige zorg tijdens de bevalling. Dr. Pien Offerhaus, verloskundig onderzoeker AV-M, beleidsmedewerker richtlijnontwikkeling KNOV
Poster Thematour 3 - Pien Offerhaus low res
In de 21e eeuw is de eerstelijns verloskundige zorg tijdens de baring sterk aan het veranderen. Deze poster beschrijft trends in verwijzingen bij eerstelijns bevallingen en samenhangende uitkomsten voor kind en moeder, op basis van PRN gegevens uit 2000-2008. Er was een aanzienlijke stijging in niet-urgente verwijzingen tijdens de ontsluitingsfase. De perinatale uitkomsten (lage Apgar score en mortaliteit) veranderden niet. Bij de moeder steeg het gebruik van interventies (pijnstilling en bijstimulatie, meestal in combinatie). Dit ging naast meer discontinuïteit in de zorg ook gepaard met een toename van een HPP >1000 ml. Voor nulliparae steeg ook het percentage sectio caesarea.

Zorgverleners zoeken de beste zorg. Meningen van professionals over geïntegreerde zorg: een kwantitatief onderzoek in Nederland.
Hilde Perdok RM MSc., verloskundig onderzoeker, Midwifery Science, AVAG/EMGO+/VUmc
Poster Thematour 3 - Hilde Perdok
Het aantal verwijzingen tijdens de bevalling is de afgelopen jaren sterk gestegen. Hierdoor is de continuïteit van zorg voor de zwangere en haar partner afgenomen. Diverse onderzoeken tonen aan dat dit leidt tot minder tevredenheid bij de cliënt en een toename van het aantal medische interventies. Binnen de “INtegrated Care System” (INCAS) studie worden de mogelijkheden voor een integrale benadering van de geboortezorg onderzocht. Een sub-studie van INCAS is dit vragenlijst onderzoek wat als doel heeft om zicht te krijgen op de mate van consensus onder verloskundigen en gynaecologen wat betreft taken en verantwoordelijkheden en de bevorderende en belemmerende factoren van integrale zorg.

Social marketing als strategie in de preconceptiezorg.
Chantal ten Kate BSc., student-onderzoeker Healthy Pregnancy 4 All, Erasmus MC
ChantaltenKatePreconceptiezorg (PCZ) is een manier om perinatale gezondheid te promoten, maar wordt momenteel door toekomstige ouders beperkt benut. Het gebruik van PCZ zou kunnen worden bevorderd door een consument-georiënteerde benadering van dit product. Door middel van semi-gestructureerde interviews werden in deze studie de standpunten van vrouwen in kaart gebracht ten aanzien van de vier componenten van het social marketing model: product (individueel PCZ consult), plaats (setting), promotie (hoe attenderen we vrouwen op de mogelijkheid van het product) en prijs (kosten). Deze studie verstrekt consument-georiënteerde gegevens voor een social marketing benadering van PCZ, met een specifieke promotiestrategie. 

Hoe kijken studenten aan tegen (nieuwe ontwikkelingen in) de organisatie van verloskundige zorg?
Drs. Catja Warmelink, docent, psycholoog en promovendus, AVAG/EMGO+/VUmc
Poster Thematour 3 - Catja WarmelinkOm te verkennen wat de verwachtingen zijn van toekomstige verloskundigen ten aanzien van de organisatie van verloskundige zorg, zijn in 2014 met achttien vierdejaars AVAG-studenten individuele interviews en focusgroep-bijeenkomsten gehouden. Deze studenten hebben in hun stages veel voorbeelden van samenwerkingen en initiatieven rondom veranderingen in organisatiemodellen gezien. Ze hebben geen sterke voorkeur voor een bepaald organisatiemodel, zolang het maar voldoet aan essentiële criteria, zoals de cliëntgerichte zorg en een goede, respectvolle samenwerking met andere professionals. Studenten hebben het idee dat de ontwikkeling van het huidige echelonmodel naar een meer geïntegreerde zorg tussen de 1e, 2e en 3e lijn onvermijdelijk lijkt.