Verslag

Datum: Donderdag 19 januari 2006, 14.30 – 18.45 uur
Locatie: Fort Voordorp te Utrecht

Hoe kan de relatie worden versterkt tussen de verloskundige opleidingen en het medisch-wetenschappelijk onderwijs en onderzoek? Dat was de centrale vraag op 19 januari tijdens de Invitational Conference ‘Onderwijs en Onderzoek in de Verloskunde’. De vraag naar verdere samenwerking werd besproken door een bijzondere mix van hoogleraren, medisch specialisten en andere relevante opleiders en onderzoekers op het gebied van de verloskunde in Nederland. De conferentie was een initiatief van de Stichting Samenwerkende Opleidingen tot Verloskundige (SSOV).

Met de conferentie wil de SSOV reageren op enkele ingrijpende veranderingen, die de opleidingen raken: ondermeer de visitatie van de verloskundige opleidingen in 2003, de invoering van het Bachelor-Master stelsel, het project “De Verloskundige As” en de vernieuwing van de verloskundige beroepsprofielen.

Na een halve dag van intensief debat bleek er duidelijk ruimte te bestaan voor nauwere samenwerking. In de zorgketen komen verloskundigen, huisartsen en specialisten elkaar doorlopend tegen. Zij, en natuurlijk de cliënt, zijn gebaat bij een soepele onderlinge samenwerking. Door veelvuldig contact, ook tijdens de verschillende opleidingen, ontstaat begrip voor elkaars kennis, kunde en cultuur.

Tegelijkertijd concludeerden de circa dertig deelnemers dat samenwerking nog lang geen automatisme is. Om dit proces op gang te brengen is het noodzakelijk om heel specifiek te bepalen op welke gemeenschappelijke gebieden er over en weer meerwaarde gerealiseerd kan worden. Daarmee ontstaat er een basis om het structureel op te pakken.

De mogelijkheden voor samenwerking zijn tijdens de conferentie toegespitst op vier concrete thema’s. Ieder thema was inhoudelijk voorbereid door een hoogleraar Verloskunde in samenwerking met een medewerker van de verloskundige opleidingen:

  1. De vormgeving van de Bachelor/Master opleidingen voor verloskundigen
    Prof.dr. E.A.P. (Eric) Steegers en mw. C.A. (Cilia) Born
  2. Het opzetten van verloskundig onderzoek door verloskundigen
    Prof.dr. G.G.M. (Gerard) Essed en mw. M. (Marianne) Nieuwenhuijze
  3. Het inzetten van verloskundigen bij het medisch onderwijs
    Prof.dr. F. (Fedde) Scheele en mw. J.M. (Joyce) Kors
  4. De mogelijkheden tot samenwerking tussen verloskunde opleidingen en geneeskunde faculteiten
    Prof.dr. M.J. (Maas Jan) Heineman en mw. L.A.J.M. (Lucienne) Spliet

Met betrekking tot de opleidingen (ad. 1) werd geconcludeerd dat de doorstroming van de verloskunde opleidingen naar de wetenschappelijke opleidingen laagdrempeliger moet worden. Zo wordt beter geborgd dat er voldoende studenten uitstromen met voeling voor de issues van de verloskundigen en die mede als aanjagers van wetenschappelijk onderzoek op dit terrein kunnen fungeren. Tegelijkertijd werd geconstateerd dat het onnodig is om massaal verloskundigen wetenschappelijk onderwijs aan te bieden. Zo blijken de huidige verloskunde opleidingen bijvoorbeeld heel goed te voorzien in hoogstaand Evidence Based onderwijs.

De tweede (ad.2) discussie spitste zich toe op het belang van wetenschappelijk verloskundig onderzoek. Er werd helder uiteen gezet dat het verloskundige domein haar toekomst te grabbel gooit, als ze niet zelf het initiatief neemt op het gebied van onderzoek. De Tandheelkunde biedt wat dat betreft interessant vergelijkingsmateriaal. Vanaf het moment dat Tandheelkunde meer aandacht besteedde aan de wetenschappelijke onderbouwing van haar vak, heeft het vak een enorme groei doorgemaakt. Dat heeft weer geleid tot een veel betere aanpak van een aantal belangrijke aandoeningen, zoals cariës.

Het derde thema (ad. 3) betrof de inzet van verloskundigen bij medisch praktijk onderwijs. Belangrijkste motivatie hiervoor is versterking van de relatie tussen twee samenwerkende beroepsgroepen. De verloskunde en geneeskunde hebben overlappende competenties en verantwoordelijkheden. Daardoor is samenwerking onontkoombaar en gedeeld onderwijs kansrijk. Bovendien beschikken verloskundigen over specifieke kwaliteiten, zoals de fysiologische expertise en de nadruk op risicoselectie, die een waardevolle aanvulling vormen voor het geneeskundige curriculum. De aanwezigen concludeerden dat angst voor inmenging over en weer het belangrijkste obstakel lijkt te zijn voor een volgende stap op dit gebied.

Tot slot van de conferentie (ad. 4) bogen de deelnemers zich over de samenwerkings mogelijkheden tussen de verloskunde opleidingen en de geneeskunde faculteiten. Wie de beroepsprofielen van de verschillende disciplines vergelijkt (verloskundige, arts, gynaecoloog, etc.) constateert op diverse terreinen overlap, zoals op het terrein van de prenatale diagnostiek. Daarnaast leidt samenwerking tot betere ketenzorg. Kortom, de opleidingen hebben diverse gemeenschappelijke doelen.

De conferentie was voor de initiatiefnemers een spannende primeur, die in de praktijk bijzonder goed heeft uitgepakt. De sfeer tijdens de discussies was uitstekend en zeer constructief. Belangrijker nog, de wil tot samenwerking is door vrijwel alle deelnemers heel duidelijk uitgesproken. Voor de verloskundigen ligt de weg open om het eigen wetenschapsdomein vorm te gaan geven. Inmiddels heeft de SSOV besloten tot een publieke vervolgconferentie over dit thema, in het najaar van 2006.