Continue begeleiding tijdens de baring, de COOL-studie (COntinous suppOrt during Labor)

Geplaatst op

In 2011 heeft de KNOV een pilot continue begeleiding uitgevoerd onder 125 barenden verdeeld over vijf verloskundigenpraktijken. Tijdens de pilot hebben verloskundigen gewerkt volgens de ‘Handreiking Continue begeleiding tijdens de baring’ (KNOV, 2013). In deze handreiking is de werkwijze en inhoud van de continue begeleiding tijdens de baring weergegeven. Uit de pilotgegevens bleek dat er minder cliënten tijdens de baring verwezen zijn naar de tweede lijn (34% versus 41% landelijk, LVR 2010). Omdat de omvang van de onderzoekspopulatie te klein was om hier betrouwbare conclusies uit te trekken, wordt dit vervolgonderzoek uitgevoerd. Studieopzet: Prospectieve cohortstudie (n=1.340) uitgevoerd in eerstelijns verloskundigenpraktijken.
Studiepopulatie: Laag risico zwangeren (n=1.340) tussen de 37 en 42 weken die de baring starten onder leiding van de eerstelijns verloskundige.

Doel

Het doel van deze studie is onderzoeken wat het effect is van het toepassen van continue begeleiding tijdens de baring op het aantal verwijzingen tijdens de baring van de eerste naar de tweede lijn en de tevredenheid van vrouwen over hun bevalling en hun ervaren continuïteit van zorg.

Vraagstelling/hypothese

  1. Welk percentage van de vrouwen die continue begeleiding krijgen aangeboden tijdens de baring wordt durante partu verwezen en hoe verhoudt dit percentage zich tot het percentage van laagrisicovrouwen die durante partu verwezen werden in
    dezelfde verloskundige praktijken vóór invoering van continue begeleiding?
  2. Worden de vrouwen die continue begeleiding krijgen om andere redenen en in andere aantallen verwezen dan vrouwen die geen continue begeleiding hebben gekregen?
  3. Is er verschil in de ervaringen van vrouwen over hun bevalling (tevredenheid en ervaren continuïteit van zorg) tussen vrouwen die continue begeleiding kregen aangeboden tijdens de baring en vrouwen die geen continue begeleiding hebben gekregen?
  4. Wat is de invloed van het bieden van continue begeleiding op de aanwezigheidsduur van de verloskundige en de kraamverzorgende?
  5. Welke aanpassingen zijn er in de praktijk geweest om continue begeleiding mogelijk te maken?

Relevantie

Ongeveer zestig procent van alle primiparae wordt op enig moment tijdens de zwangerschap of baring verwezen naar de tweede lijn. Bij de multiparae is dit veertig procent. Vrouwen die zijn overgedragen tijdens de baring kijken gemiddeld negatiever terug op hun bevalling dan vrouwen die niet zijn overgedragen. Indien continue begeleiding
tijdens de bevalling wordt toegepast, leidt dit tot minder kunstverlossingen en minder pijnstilling. Verder blijkt uit onderzoek dat continue begeleiding door de barende gewenst en gewaardeerd wordt en de tevredenheid van de barende over de bevalling vergroot.

Begeleider(s)

Dr. Corine Verhoeven, afdeling Midwifery Science, AVAG/ EMGO, VUmc

Uitvoerder(s)

Leonie Egeraat, MSc Wilma van Driel, KNOV Drs. Greta Rijninks, KNOV Drs. Carien Baas, afdeling Midwifery Science Dr. Ank de Jonge, afdeling Midwifery Science Prof.dr. Francois Schellevis, afdeling Midwifery Science

Partners

Dit onderzoek wordt gefinancierd door de KNOV.

Contactpersonen

Dr. C. Verhoeven

Periode

Begindatum: september 2014
Einddatum: juli 2015



Log in / Registreer