Op het gebied van perinatale epidemiologie en gezondheid van de pasgeborene wordt in Nederland veel en goed onderzoek verricht.

Het in hoofdstuk 1.1 beschreven onderzoek beoogt vragen te beantwoorden als: is het voorspellen van complicaties zoals vroeggeboorte of asfyxie mogelijk? Wat is het effect van bepaalde maternale ziektes en medicijngebruik op de gezondheid van de foetus en pasgeborene? Welke sociaaleconomische, etnische en leefstijl factoren beïnvloeden de groei en ontwikkeling van de pasgeborene? Wat is bekend over meer specifieke perinatale aandoeningen op de ontwikkeling van het kind?

Van een aantal studies is de inclusie afgerond.
De inclusie van de studies over de volgende onderwerpen is afgerond: de predictieve waarde van fibronectinebepaling bij dreigende vroeggeboorte, de voorspellende waarde van zuurstofsaturatie in de darm en ‘intestinal fatty acid binding proteins’ voor het voorspellen van necrotiserende enterocolitis bij prematuren en het voorspellen van het beloop bij gastroschizis (FLAMINGO-studie) zijn afgerond. De resultaten worden bewerkt.

De eerst geïncludeerde kinderen van de grote cohortstudies the ‘Amsterdam Born Children and their Development’ en de ‘Generation R’ studie zijn inmiddels 11 en 12 jaar. Inzicht is verkregen in de etnische en sociaaleconomische verschillen in gezondheid en in de invloed van leefstijl op de gezondheid van kinderen. Het KOALA-onderzoek bestudeert determinanten die van invloed zijn op atopische aandoeningen, de groei en ontwikkeling bij het kind. De studie loopt inmiddels 13 jaar.

De publicaties geven inzicht in de invloed van infecties, vaccinaties, darmflora, voeding, lichaamsbeweging, leefstijl, opvoeding en gewoontevorming op de aandoeningen. Van het ‘Pinkeltje gezondheidsonderzoek’ over de groei en ontwikkeling van matig prematuren zijn meerdere publicaties verschenen. In het bijzonder de negatieve effecten van relatief milde prematuriteit op de groei en ontwikkeling zijn zeer relevant. Daarnaast wordt in de grote cohortonderzoeken keer op keer bevestigd dat een gezonde start voor het kind in utero begint.
Onderzoek naar maternale aandoeningen zoals epilepsie en diabetes geven inzicht in de effecten van anti-epileptica op de foetus en het effect van strenge regulatie van de maternale bloedsuikers op de neonaat. Dit zijn langlopende follow-up studies waarvan de inclusies nog niet zijn gesloten.

Behoudens de grote cohortstudies hebben de onderzoeken naar de effecten van perinatale aandoeningen een beperkte follow-up duur. Langere follow-up is nodig om nadelige effecten van perinatale aandoeningen op de gedrags- en psychische ontwikkeling van kinderen in kaart te brengen en interventie(studies) te plannen.

Een ander kennishiaat betreft de haalbaarheid en veiligheid van thuismonitoring van de a terme neonaat met een milde risicofactor. Voor screening en diagnostiek bij de pasgeborene is vaak een ziekenhuisopname nodig. Dat heeft impact op de ouder-kind binding, verloop van de borstvoeding, stress bij de neonaat en een potentieel negatief effect op de darmflora.

Resumerend is het verheugend dat in Nederland nuttig gebruik gemaakt wordt van de goede infrastructuur voor wetenschappelijk onderzoek.

Marianne Prins, RM, MSc.
Academie Verloskunde Amsterdam Groningen
Afdeling Midwifery Science, VUmc,
EMGO instituut afd. Midwifery Science, Amsterdam

Dr. Floris Groenendaal
Neonatoloog, WKZ/UMC, Utrecht