Procesmonitoring prenatale screening infectieziekten en erytrocytenimmunisatie (PSIE) 2016 en 2017

Geplaatst op

Het Centrum voor Bevolkingsonderzoek van het RIVM coördineert het landelijke bevolkingsonderzoek PSIE en geeft opdracht voor monitoring ervan.

Deze monitoring betreft een periode van een jaar, met datum bloedafname voor de eerste screening (vóór of in week 12 van de zwangerschap) van 1 januari t/m 31 december.
Verloskundige hulpverleners en laboratoria geven de gegevens van de zwangere, de uitslagen van PSIE-bloedonderzoeken en de toedieningen van anti-D en HBIg door aan het RIVM-DVP (Dienst Vaccinvoorziening en Preventieprogramma’s, voorheen entadministraties), die deze gegevens registreert in een landelijk registratiesysteem. De monitoring gebeurt op basis van deze gegevens.

Doel

Inzicht geven in:

  • de dekkingsgraad van het screeningsprogramma bij zwangeren
  • de mate waarin het screeningsprogramma wordt uitgevoerd volgens de daarvoor geldende richtlijnen
  • de prevalentie van de aandoeningen waarop in de PSIE gescreend wordt (hepatitis B, syfilis, HIV, irregulaire erytrocytenantistoffen (IEA), en Rhesus(D)- en Rhesus(c)- antigeen)

Dit inzicht zal -waar nodig- de basis vormen voor adviezen ter verbetering van de uitvoering van het programma.

Vraagstelling/hypothese

De hypothese is dat de prenatale screening op infectieziekten en erytrocytenimmunisatie (PSIE) aan alle zwangere vrouwen tijdig in de zwangerschap wordt aangeboden, en dat bij afwijkende uitslagen de juiste vervolgstappen worden genomen. Hiermee wordt beoogd zowel hemolytische ziekten van de foetus en/of de pasgeborene en congenitale syfilis te voorkomen, als ook hepatitis B- en HIV-dragerschap en -verspreiding.

Relevantie

Met de screening wordt beoogd zowel hemolytische ziekten van de foetus en/of de pasgeborene en congenitale syfilis te voorkomen, als ook hepatitis B- en HIV-dragerschap en -verspreiding.
Onderzoek naar (knelpunten in) de uitvoering draagt bij aan verbetering daarvan.

Conclusies

De gerapporteerde dekkingsgraad is sinds 2005/6 stabiel en internationaal gezien op een zeer hoog niveau (>99%). De prevalentieschattingen zijn in 2016 0,29% voor hepatitis B, 0,02% voor syfilis, 0,05% voor HIV en 0,14-0,33% voor klinisch relevante IEA. Van de zwangeren is 14,6% is Rhesus D-negatief en 20,2% Rhesus c-negatief. Dit is vergelijkbaar met voorgaande jaren, uitgezonderd de prevalentie van syfilis, waarbij tot 2016 onterechte positieve conclusies tot een te hoge schatting hebben geleid. Dit is nu verbeterd.

De onderdelen van het bevolkingsonderzoek PSIE worden merendeels tijdig uitgevoerd. Het eerste bloedonderzoek wordt bij 83% tijdig voor zwangerschapsweek 13 verricht, en het 27e-weekonderzoek bij RhD- en Rhc-negatieve zwangeren wordt bij resp. 95% en 93% tijdig verricht in week 27 t/m 29.  Het aantal kinderen van hepatitis B-positieve moeders dat tijdig geïmmuniseerd wordt met HBIg binnen de streeftijd van 2 uur na geboorte is gedaald naar 73%.

Tijdige toediening van antenataal anti-D bij RhD-negatieve zwangeren is belangrijk voor optimale bescherming tegen RhD-immunisatie in de periode voor en tijdens de bevalling. Bij 65% van de zwangeren wordt anti-D tijdig toegediend in week 30 of 31. Bij 30% wordt anti-D te vroeg, al in week 27-29, toegediend. Dit is niet wenselijk omdat anti-D geleidelijk door het lichaam wordt afgebroken, waardoor de bescherming rondom de bevalling onvoldoende kan zijn. Extra aandacht van verloskundig zorgverleners hiervoor is wenselijk.

Begeleider(s)

Dr. C.P.B. van der Ploeg

Uitvoerder(s)

Dr. C.P.B. (Kitty) van der Ploeg (TNO) Drs. Y. Schönbeck (TNO) P. Oomen (RIVM-DVP) K. Vos (RIVM-DVP)

Partners

RIVM – Dienst Vaccinvoorziening en Preventieprogramma’s (DVP) (Kim Vos)

Financiers

RIVM - Centrum voor Bevolkingsonderzoek (CvB) (Frithjofna Abbink)

Contactpersonen

Dr. C.P.B. van der Ploeg

Periode

Jaarlijks


Publicaties

Ploeg van der CPB, et al. Prenatale Screening Infectieziekten en Erytrocytenimmunisatie (PSIE) Procesmonitor 2016.

Zie: www.rivm.nl/procesmonitor-psie



Log in / Registreer