Fetal death: classification and diagnostic work-up

  Een nieuw in het UMCG ontwikkeld classificatiesysteem stelt artsen in staat bij 80 procent van de doodgeboren kinderen de doodsoorzaak vast te stellen.

Peter Korteweg
Gynaecoloog in opleiding Fleurisca Korteweg en haar collega’s ontwikkelden en testten dit systeem, en stelde tevens vast welke onderzoeken nodig zijn om de doodsoorzaak te vinden. Dit heeft geleid tot een klinische richtlijn die landelijk zal worden ingevoerd. Met deze resultaten kan een aantal doodgeboortes in de toekomst waarschijnlijk worden voorkomen. Korteweg promoveert op 27 januari aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Het overlijden van een kind voor of kort na geboorte is voor zowel ouders als hulpverleners een dramatische gebeurtenis. In ontwikkelde landen eindigt 1 op de 200 zwangerschappen in een doodgeboorte, in Nederland zijn dit jaarlijks 1200-1400 kinderen. Dit is vijf keer meer dan het aantal wiegendoden en twee keer het aantal dodelijke verkeerslachtoffers.

Om doodgeboortes te kunnen voorkomen, is meer inzicht nodig inzicht in de oorzaken daarvan. Tot nu toe ontbrak er in Nederland, maar ook wereldwijd één standaardsysteem om de doodsoorzaak vast te stellen maar ook was onduidelijk welke onderzoeken verricht moeten worden om die doodsoorzaak te kunnen vaststellen. Mede hierdoor werd bij tweederde van de doodgeboren baby’s geen doodsoorzaak gevonden.

UMCG-promovendus Fleurisca Korteweg ontwikkelde samen met haar collega’s een nieuw classificatiesysteem: de Tulip classificatie. Dit systeem definieert de doodsoorzaak als de eerste gebeurtenis die uiteindelijk leidt tot de dood van het kind. Hierdoor kan onderscheid gemaakt worden tussen risicofactoren (bijvoorbeeld roken van de moeder, overgewicht van de moeder, laag geboortegewicht van de baby) en de werkelijke doodsoorzaak. Korteweg schreef ook een duidelijke richtlijn over hoe dit classificatiesysteem gebruikt moet worden.

Placentaproblemen

Korteweg introduceerde dit systeem voor aanvang van haar onderzoek bij 50 Nederlandse ziekenhuizen; waarna 1025 doodgeboortes zijn onderzocht. In 65 procent van de gevallen bleken problemen in de placenta de doodsoorzaak.

Betere voorlichting

Daarnaast stelde Korteweg vast welke onderzoeken bij het doodgeboren kind zinnig zijn om de oorzaak van een doodgeboorte te kunnen vaststellen. Uit haar onderzoek bleek dat onderzoek van de placenta, obductie, en chromosomaal onderzoek zeer waardevol zijn voor het achterhalen van de doodsoorzaak. Met deze resultaten kunnen de ouders beter worden voorgelicht waarom deze onderzoeken zo belangrijk zijn. Korteweg en haar collega’s hebben op basis van dit onderzoek een diagnostisch protocol bij doodgeboorte opgesteld, dat landelijk zal worden ingevoerd. (Bron: UMCG)

 

 

Datum publicatie

27/01/2010

Promotor(s)

Promotores: Prof. dr. J.P. Holm Prof. dr. J. van der Meer † Copromotores: Dr. J.J.H.M. Erwich Dr. A. Timmer