Verminderd leven

De hypothese van dit onderzoek is dat bij à terme zwangeren, gecontroleerd in de eerste lijn, die minder leven voelen en voor een consult tweede lijn worden gestuurd, vaker sprake is van pathologie dan bij zwangeren die steeds goed leven voelen.

Het doel van het onderzoek is om te kijken of het ’minder leven voelen’ inderdaad een teken van pathologie is. Het onderzoek is de eerste aanzet om uiteindelijk in de eerste lijn een duidelijker richtlijn te kunnen ontwikkelen voor cliënten die komen met verminderd leven.

Methoden

Retrospectief onderzoek bij 175 à terme zwangeren met verminderd leven waarbij een consult werd verricht in het LUMC in de jaren 2003-2005. Als vergelijkingsmateriaal zijn de cijfers van de Landelijke Verloskundige Registratie 1(LVR1) 2004 gebruikt.

Conclusie

In ons onderzoek komt naar voren dat bij de zwangeren die na het consult minder leven retour eerste lijn zijn gestuurd en ook daar bevallen zijn, net zo vaak foetale nood voorkomt als in onze controlegroep. Ook asfyxie en consult en/of overdracht naar de pediater blijkt niet vaker voor te komen in deze groep.
 
De vrouwen die alsnog bij de gynaecoloog bevielen na een aanvankelijk goed consult, werden doorverwezen in verband met andere oorzaken dan foetale nood. Wij kunnen geen relatie leggen tussen het minder leven voelen, de indicatie voor de overdracht naar de tweede lijn en de uiteindelijke zwangerschapsuitkomst.
 
In de tweede lijn is er sprake van meer pathologie. Of er een verband bestaat met het minder leven voelen is uit onze gegevens niet te halen. Uit deze gegevens blijkt echter wel dat er sprake is geweest van een goede risicoselectie door de eerste lijn en bij het consult minder leven.
    

Begeleider(s)

Prof. dr D. Oepkes

Datum publicatie

31/05/2006
Log in / Registreer Een reactie plaatsen is mogelijk zodra u ingelogd bent.