Promotie Elke Slagt-Tichelman over Moeder-kindbinding en de uitdagingen voor de geboortezorg

Mother-to-infant bonding: determinants and impact on child development. Challenges for maternal health care

Op 28 september gaat docent en onderzoeker Elke Slagt-Tichelman aan de Rijksuniversiteit Groningen promoveren. Haar proefschrift heeft als titel: Moeder-kindbinding: determinanten en impact op de ontwikkeling van het kind, Uitdagingen voor de geboortezorg.

Moeder-kindbinding is de emotionele band die een moeder ervaart ten opzichte van haar kind, die zich al tijdens de zwangerschap ontwikkelt en die stabiel blijft tot de kindertijd. Deze band tussen moeder en kind is unidirectioneel en vertegenwoordigt de gevoelens ten opzichte van het kind uitsluitend vanuit het perspectief van de moeder.

Het algemene doel van dit proefschrift was om bij te dragen aan de kennis van moeder-kindbinding. Dit proefschrift had tot doel om enkele mechanismen rondom moeder-kindbinding beter te begrijpen. Een ander doel was om kennis te vergaren die praktisch bruikbaar is voor zorgverleners. Het betreft kennis over de overgang naar het moederschap en de moeder-kindbinding. In 2016 heeft Elke voor een onderzoeksopzet binnen dit proefschrift een internationale prijs, de research proposal award van de International Confederation of Midwives (ICM) ontvangen. Het gewonnen bedrag heeft ze gebruikt voor de data-verzameling van het onderzoek.

Het proefschrift bevat vijf studies met verschillende onderzoekdesigns. Als eerste, een systematisch literatuuronderzoek naar determinanten van prenatale en postnatale moeder-kindbinding. Als tweede, een longitudinale studie waarbij de associatie van synthetische oxytocine-toediening tijdens de bevalling met gedrags- en emotionele problemen van kinderen tot in de vroege kinderjaren en de rol van maternale postnatale angst, depressieve symptomen en moeder-kindbinding werd onderzocht. Ten derde, een cross-sectionele observationele studie waarin wordt beschreven of en hoe eerstelijns verloskundigen zich houden aan de richtlijn Prenatale begeleiding verloskundige zorg van de Koninklijke Nederlandse Organisatie voor Verloskundigen (KNOV) door de overgang naar moederschap te bespreken bij het eerste prenatale consult en in welke mate er een verschil was in de aanpak van het bespreken van de overgang naar moederschap tussen nulliparae en multiparae. Ten vierde zijn de resultaten gepresenteerd van een systematisch literatuuronderzoek naar de effectiviteit van bestaande prenatale interventies om moeder-kindbinding te optimaliseren. Tot slot, een prospectieve studie met als doel een multivariabel model te ontwikkelen om vroeg in de zwangerschap suboptimale postnatale moeder-kindbinding te voorspellen.

Belangrijkste resultaten en conclusies

De bevindingen van dit proefschrift ondersteunen de theorie dat moeder-kindbinding een proces is dat begint tijdens de zwangerschap en postnataal doorgaat. De onderzoekers hebben nu meer bewijs dat suboptimale moeder-kindbinding bijdraagt ​​aan gedrags- en emotionele problemen van kinderen.

De onderzoekers vonden in de literatuur dat depressieve symptomen negatief geassocieerd zijn met de postnatale moeder-kindbinding. Synthetische oxytocine-toediening tijdens de baring is niet geassocieerd aan latere gedrags- en emotionele problemen van kinderen, moeder-kindbinding en postnatale angst. Hoewel synthetische oxytocine-toediening tijdens de baring in geringe mate is geassocieerd met postnatale depressieve symptomen lijkt de klinische relevantie van deze bevinding in de algemene populatie verwaarloosbaar in vergelijking met andere risicofactoren voor postnatale depressie. Bij vrouwen met een hoog risico op een postpartum depressie is de klinische relevantie echter de moeite waard om verder te onderzoeken.

Op basis van de bevindingen van dit proefschrift worden zorgverleners aangeraden om in de dagelijkse praktijk de moeder-kindbinding al vroeg tijdens de zwangerschap aan de orde te stellen en dit tijdens de zwangerschap te blijven doen. Dit kan door het stellen van open vragen vroeg in de zwangerschap en er is een predictiemodel ontwikkeld. Vanaf 20 zwangerschapsweken tot en met 2 jaar postpartum zijn er gevalideerde vragenlijsten beschikbaar voor het meten van moeder-kindbinding. De onderzoekers hebben echter nog geen effectieve prenatale interventies om moeder-kindbinding te optimaliseren, noch weten ze welke interventie effectief is bij prenatale psychische klachten, zoals klachten die kunnen wijzen op een depressie. Interventies zoals groepseducatie gericht op binding en gehechtheid zijn tot nu toe het meest belovend gebleken om moeder-kindbinding te optimaliseren.

De Bibliotheek Rijksuniversiteit Groningen heeft het proefschrift opgenomen in de repository. Het proefschrift is te vinden op de volgende link: http://hdl.handle.net/11370/7fdda045-831a-4cb3-82ba-cd4711075103

Enkele hoofdstukken zijn nog onder embargo, maar wel individueel op te vragen bij Elke Tichelman via mailto:Elke.Tichelman@INHOLLAND.nl

 

Log in / Registreer Een reactie plaatsen is mogelijk zodra u ingelogd bent.