Het gebruik van alternatieve geneeswijzen bij fertiliteits- patiënten in Nederland

Ned. Tijdschrift voor Obstetrie en Gyneacologie

I.M.M. Doodeman C.N.M. Renckens

Gynaecologen en fertiliteitsartsen hebben al langer het vermoeden dat de patiënten uit hun populatie alternatieve genezers bezoeken of producten gebruiken die geen wetenschappelijk bewezen werking hebben. Nederlandse cijfers over de prevalentie van dit gebruik ontbreken echter. Cijfers over het gebruik van alternatieve geneeswijzen onder de bevolking als geheel en die bij bepaalde aandoeningen zijn er volop. Tevens zijn er buitenlandse publicaties over het gebruik van alternatieve geneeswijzen bij patiënten met een fertiliteitsprobleem.
In Nederland heeft 6,6% van de volwassenen contact met een alternatief genezer en dit percentage bedraagt 9,2% als contacten met alternatieve huisartsen worden meegerekend. Vergeleken met andere westerse landen zijn dat lage percentages, waarbij moet worden opgemerkt dat het vergelijken van deze percentages lastig is. De definitie van alternatieve geneeswijzen verschilt nogal per publicatie. In ons onderzoek beperkten wij ons tot de volgende zeven
therapieën: acupunctuur, homeopathie, voedings- en vitaminesupplementen, kruiden, paranormale genezers, manuele therapie en natuurgeneeswijzen. In publicaties uit andere westerse landen werden soms ook verandering in de seksuele activiteiten, dieetveranderingen en religieuze interventies tot alternatieve geneeswijzen gerekend. Andere problemen
die de vergelijkbaarheid van de gegevens bemoeilijken zijn: het gebruik wordt soms als prevalentie en soms als incidentie beschreven en de methoden van onderzoek verschillen van elkaar, terwijl de onderzoeksgroepen meestal erg klein zijn.

In de algemene volwassen Nederlandse populatie zijn homeopathie, acupunctuur en voedingssupplementen de meest
populaire alternatieve geneeswijzen. Tevens zouden mensen met een hoger opleidingsniveau meer alternatieve geneeswijzen gebruiken.

Dit onderzoek is na dat van Boivin en Schmidt het grootste dat ooit onder fertiliteitspatiënten is uitgevoerd. De zeer hoge respons en het feit dat geen vragenlijsten maar interviews als methode van onderzoek werden gebruikt, verhogen de betrouwbaarheid van de uitkomsten ten opzichte van veel eerder verricht buitenlands onderzoek. In ons onderzoek zijn ook veel vrouwen geïncludeerd die nog in de fase van het oriënterend fertiliteitsonderzoek verkeren, terwijl de buitenlandse publicaties vrijwel steeds gaan over vrouwen die reeds ART ondergaan. Ruim een derde van de Nederlandse fertiliteitspatienten maakt gebruik van alternatieve geneeswijzen: een aanzienlijk aantal. Vergeleken met buitenlandse cijfers zijn de Nederlandse getallen iets lager. Voedings- en vitaminesupplementen en acupunctuur
bleken in onze onderzoeksgroep het meest populair. Veel vrouwen gebruiken meerdere alternatieve geneeswijzen tegelijk. Dat het opleidingsniveau in ons onderzoek geen invloed had op de kans dat een vrouw een alternatieve geneeswijze gebruikte, wijkt af van consistente gegevens zoals verzameld door het CBS. Een verklaring hiervoor kan ons onderzoek niet geven. Opvallend is dat bijna de helft van de patiënten behoefte heeft aan voorlichting over alternatieve geneeswijzen door hun gynaecoloog. Of gynaecologen en fertiliteitsverpleegkundigen op eigen initiatief het onderwerp alternatieve geneeswijzen ter sprake moeten brengen blijft een kwestie van smaak en voorkeur. Als de patiënten zelf dit onderwerp aansnijden, dan lijkt milde afwijzing, naast begrip voor de motieven van de patiënten, de beste benadering.
Hoewel er aanwijzingen zijn voor een negatief effect van alternatieve geneeswijzen op de resultaten van fertiliteitstherapie is zulks ons inziens niet erg plausibel. Blijft als voornaamste nadeel de financiële schade over, die soms wel aanzienlijk kan zijn.

Datum publicatie

01 February 11

Type

Ned. Tijdschrift voor Obstetrie en Gyneacologie
Log in / Registreer Een reactie plaatsen is mogelijk zodra u ingelogd bent.