Oorzaken en substandaard zorgfactoren bij perinatale sterfte boven 41 weken

DOI Code: 10.1186/s12884-018-1973-0

Perinatal death beyond 41 weeks pregnancy: an evaluation of causes and substandard care factors as identified in perinatal audit in the Netherlands
Kortekaas JC, Scheuer AC, De Miranda E et al.

BMC Pregnancy and Childbirth 2018;18:380

Lees het originele artikel hier

Postterme zwangerschappen worden geassocieerd met negatieve perinatale uitkomsten. De onderzoeksgroep van de INDEX-studie evalueerde het moment van overlijden in de a terme periode (37+0 t/m 40+6) en boven 41 weken (≥41+0), en de doodsoorzaken en substandaard zorgfactoren bij perinatale sterfte boven 41 weken.

De onderzoekers identificeerden perinatale sterfte uit de PRN-data van 2010 tot en met 2012. Van de 947 casus (0,2%) werden 925 casus (98%) in perinatale audits besproken. Van 707 casus (75%) bevatte de perinatale audit registratie (PARS) voldoende informatie voor de analyse.

In de a-terme periode trad bij 787 casus (0.21%) perinatale sterfte op. Hiervan zijn 598 casus geregistreerd: 373 casus (62.4%) betreft foetale sterfte en 217 (36.3%) neonatale sterfte; van 8 casus was onbekend in welke periode sterfte optrad.

In de periode ≥41 weken treedt bij 160 casus (0.16%) perinatale sterfte op. Hiervan zijn 109 casus geregistreerd: 67 casus (61.4%) betreft foetale sterfte en 42 (38.5%) neonatale sterfte.

De meest voorkomende oorzaken voor perinatale sterfte zijn congenitale afwijkingen in de a-terme groep, foetale asfyxie voorafgaand aan de baring (19% in de a-terme groep, 33% in de ≥41 weken groep), intrapartum asfyxie (resp. 16% en 34%). De meest relevante oorzaken voor perinatale sterfte in de ≥41 weken groep zijn placenta-insufficiëntie (10.1%), ante-,  intrapartum en neonatale asfyxie (resp 7.3%, 9.2% en 10.1%).

In de 109 casus van perinatale sterfte ≥41 weken zijn 178 substandaard zorgfactoren geïdentificeerd. In 68,8% van de casus is er minstens een substandaard zorgfactor. De meest gerapporteerde factoren zijn CTG-evaluatie en -classificatie (10,1%), CTG-registratie of -documentatie (4,6%) en inadequaat beleid bij verminderde kindsbewegingen (4,6%).

De conclusie is dat bij zwangerschappen ≥41 weken relatief meer intrapartum sterfte optreedt dan bij de a-terme zwangerschappen. Asfyxie is bij zwangerschappen ≥41 weken de belangrijkste oorzaak voor sterfte. Mogelijk hangt dit samen met de substandaard zorgfactoren bij CTG-monitoring en beleid bij verminderde kindsbewegingen.

Een belangrijke factor als intra-uteriene groeivertraging blijft mogelijk onderbelicht door de wijze van registratie. Het ontbreken van gegevens van 25% van de sterfte kan de resultaten vertekenen. Aanbevelingen zijn een internationaal uniform classificatiesysteem voor substandaard zorgfactoren op te zetten, als zorgverleners zorgvuldiger om te gaan met zwangere vrouwen met minder kindsbewegingen en CTG’s in zwangerschappen ≥41 weken.

Type

BMC Pregnancy and Childbirth 2018;18:380
Log in / Registreer Een reactie plaatsen is mogelijk zodra u ingelogd bent.