Beval eens anders

Een beschrijvende studie over de obstetrische effecten bij het aannemen van de diepe, vrije hurkhouding tijdens de uitdrijving in een cohort onderzoeksgroep

RECTIFICATIE Uit discussies over de scriptie “Beval eens anders’ uit 2009 van Liselotte Kweekel en Sanderieke Vos bleek dat berekeningen van de cijfers met betrekking tot niet vorderende uitdrijving, zoals gepresenteerd in deze scriptie, een vertekend beeld hebben gegeven.


Met deze rectificatie willen wij graag het misverstand recht zetten dat is ontstaan.

In tabel 2 van bijlage 2 is weergegeven welk percentage van de vrouwen die de baring in de eerstelijn zijn begonnen is verwezen tijdens de uitdrijving (5,8%) en welk percentage voor de indicatie niet vorderende uitdrijving (4,1%). Vervolgens is aangegeven dat 3,75% van de vrouwen die de baring begonnen in de eerstelijn en die zijn verwezen voor niet vorderende uitdrijving primigravidae betrof.
Uit tabel 1 blijkt dat mevrouw Keijzer 7,8% van de primi’s die onder haar leiding aan de baring begonnen heeft verwezen voor niet vorderende uitdrijving. Een snelle lezer zou gemakkelijk kunnen denken dat deze 7,8% te vergelijken is met de 3,75% uit tabel 2. Het gaat hier echter om heel andere percentages.
Wij hebben berekend op basis van de LVR-1 in 2007 dat 7,3% van alle primigravidae is verwezen voor niet vorderende uitdrijving. Dit percentage komt overeen met het verwijspercentage van mevrouw Keijzer. Echter, zoals is beschreven in de scriptie, kunnen geen harde conclusies worden getrokken uit de vergelijking tussen de data van mevrouw Keijzer die zij over een periode van ongeveer 20 jaar heeft verzameld en deze landelijke data van 2007.

Onderzoeksvraag

De doelstelling was om te onderzoeken wat de obstetrische uitkomsten zijn van bevallingen in diepe hurkhouding in een cohort- onderzoeksgroep. Daarbij inzicht bieden in het aantal verwijzingen naar de tweede lijn wegens niet-vorderende uitdrijving. De onderzoeksvraag was: Wat was het aantal verwijzingen naar de tweede lijn wegens niet-vorderende uitdrijving in een laag-risico cohort populatie lopend van 1985 tot en met 2004, waarbij de diepe vrije hurkhouding tijdens de uitdrijving werd aangenomen al dan niet met behulp van de baarschelp?

Methoden

Het betreft een beschrijvende studie. De onderzoeksdata is verzameld door mevrouw Keijzer, eerstelijns verloskundige. De laag-risico populatie bestaat uit 293 primigravidae van praktijken uit 4 provincies in Nederland. Gegevens uit deze cohort populatie werden geanalyseerd in het Statistical Package for the Social Sciences (SPSS) programma versie 16.0. Hierbij werd gebruik gemaakt van frequencies en cross-tabs.

Conclusie

In de laag-risico cohort populatie van mevrouw Keijzer werd 7,8% verwezen wegens een niet-vorderende uitdrijving. Het onderzoek heeft beperkingen waardoor de resultaten niet betrouwbaar zijn. Voorlopig moet men uitgaan van resultaten uit eerder beschreven onderzoeken.

Datum publicatie

01 January 09
Log in / Registreer Een reactie plaatsen is mogelijk zodra u ingelogd bent.